Hoe ervaart de ziel het lichaam dat ze net verlaten heeft?

– een waargebeurd kortverhaal –

Over een ziel die van haar lichaam hield.

Hij had het gemaakt, hij was een patriciër geworden, een gerespecteerd burger. Dat wil zeggen hij was beheerder van het landgoed, de bossen, akkers en eigendommen van de grootheer uit de streek. Hij had zich opgewerkt.

Wel bleef hij voor de buitenwereld een man in de achtergrond waar je alleen mee te maken had als je echt bij hem terecht moest bijvoorbeeld om een contract op te stellen of om uitleg te geven over je achterstallige rente. De heer vertrouwde hem en liet hem dus grotendeels begaan, zelfs in beslissingen over achterstallige rente, maar evengoed kon hij altijd teruggeroepen worden door de man boven hem. 

Hij was al de zestig voorbij en nog redelijk sterk want hij was nog altijd in staat het landgoed te beheren. In zijn kledij kon je zijn hang naar het theatrale opmerken. Hij droeg bij voorkeur bruine en blauwe lang afhangende gewaden die hem op het eerste gezicht bijna tot rechter verheven. De grote bordeauxkleurige velours must die hij in de winter droeg paste heel goed bij zijn licht dramatische verschijning. Zijn gestalte was wat uitgezakt dat wel, maar verder normaal. Hoewel zijn lichaam in goede conditie verkeerde sakkerde hij er veel op. Maar zijn ziel dacht daar anders over, die vond zijn lichaam goed. Hijzelf wilde echter atletischer zijn. Hij wilde het lichaam van een jonge man om zich te kunnen uitleven in de actieve kracht van een blij lichaam. Terwijl net het omgaan met minder uithoudingsvermogen – zijn lichaam was tenger – hem deed rekenen, afwegen en bewust beslissingen nemen over waar hij zijn kracht zou inzetten. Dat frustreerde hem erg want hij had altijd zoveel zin, zoveel ideeën die ongeduldig op uitvoering wachtten. Zijn ziel vond die frustraties enigszins storend maar moest er toch ook om lachen. Al dat spartelen en onbegrip had door zijn stunteligheid toch iets grappigs vond zijn ziel, die blijkbaar wat volwassener was dan de man zelf. 

Hijzelf kon allerminst lachen om de tekorten aan kracht en uithouding die hem regelmatig plaagden en het duurde tot in de laatste fase van zijn leven eer hij er vrede mee had. De aanleiding daartoe was dat hij zich afvroeg waarom hij in zijn leven toch zoveel met cijfers, rekenen, facturen, offertes en boekhouding te maken kreeg terwijl hij toch eerder fysiek was ingesteld en in zijn jeugd zelfs genoegen schiep in zware fysieke inspanningen, hoewel hij ook toen al onderhevig aan de inperkende wetten van inspanning en ontspanning. 

In een helder moment zag hij het verband tussen ‘rekenen over de besteding van je krachten’ en ‘rekenen in een boekhouding’. Werd dit inzicht hem geschonken door de grote ruimte waarin alles voor het grijpen ligt? Plots zag hij de relatie tussen de balans van het leven en de balans van een boekhouding. Maathouden bleek de gemeenschappelijke code in dat alles. Dat werd zijn wegwijzer uit de ellende van overmaat en uitputting. Balans bleek een strenge scheidsrechter tussen lichaam en geest, tussen instincten en verstand, willen en kunnen, tussen tevreden zijn en onrust. Maathouden, afwegen, nuance en vandaar vertrekkend de gulden middenweg opzoeken werden evidente en tegelijk onverbiddelijke leermeesters op weg naar zijn levensgeluk. 

Hij was ook de man ‘tussen’. De verbindingsman tussen de heer en het volk, tussen de partijen van een overeenkomst, een bruggenbouwer.

In de nadagen van zijn leven kon hij zich met veel verzoenen en maakte hij zich minder druk in tijdelijke meningen en voorbijgaande fenomenen zoals de prijs van een varken of de beschikbaarheid van honing en melk. 

Onthechting van conflict bracht ook de weldaad van de innerlijke glimlach in zijn gemoed. Mensen die hem op zijn hoge leeftijd kenden getuigen allen van de milde uitdrukking op zijn gelaat. Zelfs na een beslechte ruzie, tijdens een hangend dispuut of na een venijnige sneer uit onverwachte hoek kwam er al snel een zachtheid over zijn mond en in zijn ogen die hem toeliet afstand te nemen van het meningsverschil zonder definitief afstand te nemen van de persoon die de onenigheid veroorzaakte. 

Die mildheid van binnen was niet vergroeid tot naïviteit, integendeel doordat minder zaken hem raakten kon hij zijn blik en hart openhouden voor de schaduw van anderen. 

In de laatste periode van zijn leven, zeg maar in het laatste kwart, moest hij wel opletten om nog genoeg uitdaging aan te gaan, om niet alles van de gemakkelijke kant te nemen, om tegenover zichzelf niet alles met een laagje van vergoelijking toe te dekken. Te weinig uitdaging uiterlijk en te weinig bijsturen innerlijk zouden nefast geweest zijn. Dat zou blindheid veroorzaakt hebben. Blindheid voor het sluipend gif van de stilstand, met als onvermijdelijk gevolg geestelijke en lichamelijke verdoving. Zijn ziel had het hem zo vaak ingefluisterd. Het zou het begin van een wreed einde geweest zijn. 

Hij was er zich dus zeer bewust van dat het voortdurend hernieuwen van het contract met het leven hem langer in goede conditie hield. Rust roest gold echt wel voor hem. 

Hij voelde zich af en toe en later zelfs regelmatig opgetild tot grotere hoogte van innerlijke vrede, moed, activiteit en zelfvertrouwen. Dat hogere peil vasthouden hield hem voortdurend bezig net als nieuwe gewoontes aannemen, ongeacht zijn gevorderde leeftijd. Ze behoedden hem niet alleen voor stramme spieren maar ook voor erger, namelijk vierkant denken.

Tenslotte kwam ook voor hem het afscheid van dit aardse bestaan. Hij voelde zijn krachten slinken, opdrogen en gaf uiteindelijk nog onverwacht snel in vrede de geest.

In de seconden daarna, want de overgang van mens naar geest, van fysieke woning naar geestelijk verblijf, van zoektocht naar het goddelijke tot er plots mee versmelten verloopt razendsnel, in de seconden daarna dus zag hij als geest zijn lichaam.

In één fractie van de tijd zag hij zijn lichaam liggen, zijn dode lichaam waarvan hij enkel de wittige contouren zag die als een lijn om een lichtgrijze afwezigheid zaten. Zijn lichaam gaf hem de indruk slap en gewichtsloos te zijn. 

Hij keek ernaar en wat hij van zichzelf nooit vermoed had: hij was dankbaar, hij keek met een zekere vertedering en mededogen naar zijn lichaam. Hij besefte nu meer dan op gelijk welk vroeger moment hoezeer het zijn compagnon was geweest, hoezeer dit lichaam zijn instrument was geweest. Het gereedschap van zijn ziel, om zijn ziel op te stuwen, te veranderen, nieuwvorm te geven. 

Hij voelde diepe dankbaarheid en was bewogen door het besef dat zijn lichaam zoveel voor hem betekend had, in zijn imperfectie zo waardevol voor hem geweest was. Imperfectie en perfectie hier te begrijpen als: ondanks de frustratie van de jongeling, de patriciër en de oude man was zijn lichaam toch erg betekenisvol geweest voor hem als ziel. Anders gezegd de ziel en de persoon kunnen over iets fundamenteels als ‘het eigen lichaam’ danig verschillen van appreciatie en inschatting. 

Hij voelde een warme ontroering voor de diensten die zijn lichaam hem bewezen had. En dat waren er voornamelijk twee: door de beperking te ervaren had hij maat leren houden. Maar evenzeer had hij beter, evenwichtiger leren genieten van zijn lichaam. Hij was de impulsen die leiden naar overmaat in ascese of zintuiglijkheid redelijk te boven gekomen.

Het te veel aan fysieke zindering of net de afwezigheid van fitheid waren als naschokken uit vorige levens in zijn huidige leven beland. Te grote strengheid voor zijn lichaam in het ene leven en te veel fysiek en zelfs seksueel uitleven in ledigheid in andere levens hadden een onevenwicht in zijn ziel gebracht. Hij zag beide uitingen, nu als de twee zijden van een munt.

In dit leven had hij rekening moeten houden met vervelende kwaaltjes en ongemakken zoals slapeloosheid, zwakte in de rug en in de onderste lichaamshelft en beperkt uithoudingsvermogen om er enkele te noemen. Zijn lichaam had zich beperkt getoond wanneer dat voor zijn ziel nodig was. Dat had zijn ziel veranderd. Maar evenzeer hadden de soepelheid van zijn lichaam, zijn liefde voor lichaamsbeweging, sport en fysieke arbeid en zijn drang om fysieke intimiteit op te zoeken hem vele uren van ontspanning en genot gegeven. Later bezorgden de lange natuurwandelingen hem de vrede en het plezier die de bewondering voor de natuur oplevert. Zijn lichaam had zich sterk getoond wanneer het sterk moest zijn. Dat was al zo in zijn jeugd toen zijn fysieke kracht een dam, een bron van evenwicht was tegen de zware emoties die in zijn omgeving woedden. Zijn fysieke kracht deed hem toen standhouden omdat hij de vele emoties die op hem afkwamen afreageerde in sport en inspanning.

Die ervaring, dat alle frustratie over zijn niet ingeloste fysieke verwachtingen plaats maakten voor dankbaarheid gaf hem een zalig gevoel. Dit alles kon gebeuren als gevolg van het vrijgekomen licht, diep vanbinnen. 

Er was weer een sluier naar zijn Bron gelicht.

Tekst: Patrick Van Buyten

2023-01-27T20:18:28+02:00